Sommige reizen beginnen niet op een luchthaven, niet aan een incheckbalie, niet bij een gate of een vertrekbord.
Sommige reizen beginnen in een zin.
In een half vergeten opmerking van weken eerder.
In een naam van een stad die blijft hangen zonder dat je beseft hoe belangrijk die later nog zal worden.

Bij deze reis begon alles ergens begin januari, toen ik al had geregeld dat ik een week naar Spanje kon. Mijn broer heeft daar appartementen, net zoals in Dubai, die meestal verhuurd worden. Af en toe komt er eentje vrij, een paar dagen, misschien een week. Geen luxe die altijd beschikbaar is, geen vaste planning, maar nu was er toevallig een moment. Ik had die week laten blokkeren, gewoon om even weg te kunnen. Even weg van België. Even weg van alles.

Ik had er toen nog geen seconde bij stilgestaan dat het net het weekend van haar verjaardag zou zijn.

Pas veel later, toen ze begin maart zei dat ze naar Alicante zou gaan, kwam dat ergens heel zachtjes op de achtergrond terecht. Niet als een plan. Niet als iets doelbewusts. Gewoon als een toevalligheid die nog niet meteen betekenis kreeg. Tot mijn broer mij, een week voor vertrek, vroeg wanneer ik precies in Spanje zou toekomen. En ineens viel alles samen.

Zij.
Spanje.
Haar verjaardag.
Mijn week daar.

Het besef kwam niet als iets moois. Eerder als een schok.
Want wat moest ik daarmee?

Hoe vertel je iemand dat jij toevallig ook in Spanje bent, in exact hetzelfde weekend als haar verjaardag, zonder dat het vreemd klinkt? Zonder dat het lijkt alsof je haar achterna reist? Zonder dat het iets krijgt van iets waar je zelf al bang voor bent: dat het creepie zou lijken, dat het te veel zou zijn, dat het na alles wat er al gebeurd was alleen maar nog meer afstand zou creëren?

Ik had haar al drie weken niet meer gezien. Niet sinds het kaartje. Drie weken stilte die op zich al zwaar genoeg wogen. Ik wist dat als ze dit slecht zou opnemen, ik gewoon thuis zou blijven. Dan zou ik die vlucht niet nemen. Dan zou ik wachten tot er later nog eens een appartement vrij kwam. Ik wilde haar niet nog verder van mij wegduwen dan ze al was.

Maar het leven heeft soms de neiging om alles tegelijk in beweging te zetten.

Na al die weken zonder haar plots een bericht.
Niet over gevoelens.
Niet over wat tussen ons kapot of stilgevallen was.
Niet over vriendschap.

Gewoon een vraag of ik nog weed had.

Dat was dinsdagavond. Het weekend van haar verjaardag kwam eraan. In het gesprek viel ook dat het in Spanje voor mij geen probleem zou zijn om iets te regelen. Er werd afgesproken dat ik haar vrijdagavond, wanneer ze toekwam, een beetje weed zou brengen. En dat we op haar verjaardag iets zouden gaan drinken. Zuipen, zoals ik het graag verwoord. Simpel. Licht. Alsof alles misschien terug even normaal kon worden.

Dat was genoeg.

Dinsdagnacht boekte ik nog snel een vlucht naar Spanje.

Tot dan voelde alles nog bijna logisch. Alsof het lot zich voor één keer misschien niet tegen mij had gekeerd. Alsof ik gewoon kon doen wat ik altijd doe: een belofte nakomen. Gewoon er zijn. Gewoon iets afgeven. Gewoon proberen terug een stukje normaliteit te vinden tussen twee mensen die elkaar ooit moeiteloos vonden.

Tot vrijdag.

Vrijdag om vijf uur stuurde ik haar een bericht met de vraag waar ik ’s avonds moest zijn om het af te geven.

Haar antwoord kwam kort en droog.

Barcelona.

Barcelona.

Ik weet nog dat alles in mij op dat moment stilviel. Niet dramatisch, niet filmisch. Eerder op die manier waarop je lichaam soms sneller begrijpt dan je hoofd dat er iets niet klopt. Ik had gedacht dat ze in Alicante zat. Of naartoe ging. Was ik dan echt zo fout geweest? Had ik iets verkeerd onthouden? Waren haar plannen veranderd? Had ik mij vastgeklampt aan een oud detail omdat ik dat wilde geloven?

Misschien was het al een maand geleden dat ze dat gezegd had. Misschien had ik het gewoon verkeerd opgeslagen. Misschien was het mijn fout. Misschien waren haar plannen intussen veranderd. Misschien alles tegelijk.

Maar een belofte is een belofte.

En Barcelona bezoeken was op zich ook niet het einde van de wereld.

Dus ik antwoordde dat ik er om elf uur zou zijn, sprong in de auto en vertrok. Meer dan vijfhonderd kilometer. Niet omdat het verstandig was. Niet omdat het logisch was. Maar omdat ik gezegd had dat ik iets ging doen. En ik kom mijn beloftes na. Altijd. Zelfs als ze mij breken onderweg.

Om 23 uur stuurde ik dat ik in Barcelona was aangekomen.

Er volgden nog wat berichten over vertraging, over hun vlucht, over wachten. Om 23u17 kreeg ik eindelijk het bericht dat ze na uren vertraging konden boarden. En als antwoord kreeg ik “oké, wij binnen dik twee uur ook”.

Twee uur.

Dat klonk nog altijd alsof er een einde aan het wachten zat. Alsof ik nog even moest volhouden. Alsof er straks een locatie ging komen, een adres, een hotel, een “kom hierheen”, desnoods maar vijf minuten, desnoods op straat, desnoods alleen om die joints af te geven en elkaar even te zien.

Maar er kwam niets.

Ik wachtte op de luchthaven van Barcelona.

Eén uur.
Twee uur.
Vier uur.

De berichten werden vager, rommeliger, minder duidelijk. Ik probeerde luchtig te blijven, probeerde nog te lachen, probeerde het niet zwaar te maken. Ik stuurde foto’s, ik stuurde mijn locatie, ik maakte grapjes over Spanje, over taxi spelen, over rondrijden. Alsof ik de absurditeit van de situatie zelf nog kon neutraliseren door er humor van te maken.

Maar ergens diep vanbinnen voelde ik al dat ik aan het wachten was op iemand die mij niet echt aan het laten toekomen was.

Om vier uur ’s nachts had ik nog altijd niets. Geen duidelijke plek. Geen “kom nu”. Geen einde.

Dus besloot ik een hotel te zoeken. Gewoon even opfrissen. Een paar uur slapen. Iets menselijks doen na uren wachten op een luchthaven in een stad die niet de juiste stad had moeten zijn.

Via Booking zocht ik snel wat hotels op. Zes verschillende plekken. Ze lagen op nauwelijks vijf kilometer van elkaar, maar in Barcelona is vijf kilometer midden in de nacht blijkbaar iets anders dan vijf kilometer op een kaart. Steeds weer rijden. Steeds weer hopen. Steeds weer toekomen. Volzet. Of niemand deed open. Of er was geen plek. Of het voelde meteen al fout.

Hotel zeven was ergens aan de Ramblas.

Enkele straten verder parkeerde ik de auto en ging te voet.
Achteraf bekeken was dat een dom idee.
Niet omdat ik dat toen niet wist, maar omdat je soms zo moe bent dat je niet meer de luxe hebt om verstandig te zijn.

Het was vijf uur ’s nachts op de Ramblas. Ik was vreemd in de stad, oververmoeid, met al mijn bankkaarten op zak, zonder reispas, zonder reservegsm, zonder hotelkamer, zonder plan. Alleen met te veel gedachten en te weinig slaap.

En nog voor ik goed en wel besefte wat er gebeurde, voelde ik het al.

Dat soort aandacht die geen aandacht is.
Dat soort roepen dat geen vriendelijke begroeting is.
Dat soort mannen waarbij je onmiddellijk weet dat je niet als mens gezien wordt maar als opportuniteit.

Eerst een paar woorden in mijn richting.
“You come, my friend…”
Zoiets.

Ik negeerde het.

Daarna kwamen ze dichter.
Met vier.

Toen één van hen zijn hand op mijn schouder legde, wist ik dat dit heel slecht kon aflopen.

Op dat moment wordt alles plots primitief. Je denkt niet meer aan waardigheid, niet meer aan het feit dat je hier eigenlijk gewoon een hotel zocht, niet meer aan hoe absurd het is dat je uit liefde, hoop of koppigheid meer dan vijfhonderd kilometer bent gereden om uiteindelijk als een doelwit op de Ramblas te staan.

Je denkt alleen nog: hoe geraak ik hier veilig weg?

Moest ik alles afgeven?
Moest ik niet reageren?
Moest ik rennen?

Ik weet vooral nog hoe snel het ging. Ik haalde zijn hand van mijn schouder, plooide die weg, de anderen kwamen op mij af, ik kreeg slagen, er was paniek, instinct, adrenaline. Op een bepaald moment trapte ik er één in zijn kruis. Een andere bleef achter met een pols die minstens zwaar verstuikt was. Nog iemand ging neer. De laatste twee aarzelden. En om een reden die ik nog altijd niet begrijp, lieten ze mij gaan.

Of misschien is “lieten gaan” te zacht uitgedrukt.

Ze stonden daar gewoon. Even uit hun rol geslagen. En ik ging weg. Niet lopend. Niet kalm. Zo snel mogelijk zonder te tonen hoe bang ik was.

Ik bereikte het hotel aan de Ramblas en vroeg in de lobby naar een kamer.
Geen plaats.
Natuurlijk geen plaats.

Ik vertelde in gebrekkig Spaans/Engels wat er net gebeurd was. De man achter de balie liet mij een kwartier in de lobby zitten. Een kwartier dat voelde als iets tussen menselijkheid en uitstel. Buiten zag ik geregeld Guardia Civil passeren. Na een tijdje besloot ik het erop te wagen en terug naar de auto te gaan.

Dat lukte.
Zonder nieuw incident.
Maar nog steeds zonder slaapplaats.

Het was uiteindelijk zes uur ’s morgens.

En ik wist gewoon niet meer wat ik moest doen.

Dus reed ik rond. Doelloos. Door een stad die ik ooit anders had gekend. Door straten die nu vooral bestonden uit vermoeidheid, teleurstelling en een lichaam dat stilaan begon op te geven.

Op een bepaald moment werd er op het raam getikt: Guardia Civil.

Ik was in slaap gevallen in de auto. Aan een rood licht. Waarschijnlijk was dat licht al meer dan eens rood en groen geworden terwijl ik daar gewoon zat, half weg, half kapot, ergens tussen waak en crash.

In mijn beste Spaans probeerde ik uit te leggen dat het enkel vermoeidheid was. Dat ik niet gedronken had. Dat ik gewoon uitgeput was. Ze deden een alcoholtest. Negatief. Het laatste drankje was al elf uur geleden. Ik mocht vertrekken, maar eigenlijk was dat geen echte toestemming. Het was eerder een bevel verpakt als raad: parkeer de auto ergens. Rust. Rijd niet verder.

Dus reed ik een parkeergarage in. Bleef daar een uur zitten. Slapen zou ik het niet noemen. Meer iets tussen wegvallen en overleven.

Om acht uur was het alweer ochtend.

Nog steeds geen bericht.

De nacht was voorbij, maar niets was opgelost. De zon maakte niets lichter. Ze maakte de chaos alleen zichtbaarder.

Toen het licht werd, probeerde ik mezelf wijs te maken dat ik er dan maar iets van moest maken. Als ik hier toch was, dan misschien tenminste even wandelen. Even ademen. Even doen alsof dit nog een reis was en geen ontspoorde belofte.

Ik ging terug richting de plaats waar ik een paar uur eerder bijna overvallen was. Overdag liep het er vol toeristen. Dezelfde straten, maar nu met rolkoffers, zonnebrillen, selfiesticks, mensen die nergens bang voor leken. En nog geen twee minuten later zag ik alweer iemand spurten met een groep mensen erachteraan.

Zelfs overdag hing de dreiging er nog.

Barcelona was niet meer het Barcelona dat ik kende. Of misschien kende ik het nooit echt. Misschien had ik vroeger gewoon geluk gehad.

Ik wandelde richting de Sagrada Família. Het was jaren geleden dat ik nog in Barcelona was geweest, nog van voor corona. Ik dacht aan alles wat ze daar intussen verder hadden gebouwd. Aan tijd die vooruitgaat, zelfs wanneer mensen blijven steken in wat ze niet kunnen loslaten.

En toen kwam haar bericht: “hahaha ik ben niet in Barcelona”

Niet wat ik gehoopt had.
Niet opluchting.
Niet warmte.
Niet: waar ben je, kom.

Eerder dat andere. Dat gevoel dat moeilijk in woorden te vangen is. Niet kwaad. Niet eens puur verdriet. Meer iets als: waarom? Waarom ben ik hier? Waarom geraak ik altijd in dit soort situaties? Waarom lijkt het alsof ik mijzelf telkens opnieuw ergens in rijd waar ik alleen nog kan vastlopen?

Er kwam een donker soort zelfmedelijden op. Niet luid. Niet dramatisch. Maar loodzwaar. Alsof ik op dat moment niet meer enkel in Barcelona rondliep, maar door alle mislukkingen van de voorbije jaren tegelijk.

Ik was nog één kilometer van de Sagrada Família verwijderd toen ik mij omdraaide.

Vijf kilometer terug naar de parking.

Van die vijf kilometer weet ik bijna niets meer.

Ik liep. Mijn lichaam deed wat het moest doen. Maar mijn hoofd was ergens anders. Alles liep door elkaar: vermoeidheid, pijn, schaamte, teleurstelling, gemis. Tegen de tijd dat ik terug bij de auto kwam, was er in mij nog maar één gedachte over: terugrijden. Vijf uur. Geplande aankomst 17u30. Exact vierentwintig uur nadat ik Alicante had verlaten, zou ik er terug zijn.

Vijf uur alleen in de auto.
Vijf uur met alleen mijn gedachten als passagier.

Was het een mislukte grap geweest?
Deed ze dit om mij te kloten?
Wou ik nog wel vrienden zijn met iemand die mij zo liet verdwalen in halve waarheden?

En toch bleef één gevoel opvallend afwezig: kwaadheid.

Dat is misschien nog het vreemdste van alles. Dat ik bijna nooit echt kwaad word. Niet op mensen die mij kwetsen. Niet op mensen die verdwijnen. Niet op mensen die mij laten staan. Waar een ander woede zou voelen, voel ik teleurstelling in mezelf. Alsof ik altijd eerst zoek naar wat ik fout gedaan heb, nog voor ik toelaat dat iemand anders fout kan zitten.

Onderweg vroeg ik nog eens haar exacte locatie. Deze keer zonder smileys. Zonder luchtigheid. In de ijdele hoop dat ze misschien zou voelen hoe diep het zat.

Om 17u10 kwam ik toe op de plek die ze had doorgestuurd.

Ze waren alweer weg.

Twintig minuten lang doolde ik rond. Op zoek. Tot ik hen uiteindelijk toch vond. Gelukkig bestaat er zoiets als locatie delen. Dat ene moderne wonder dat maakt dat je iemand nog kunt vinden, zelfs als je allang niet meer weet of je eigenlijk nog wel gevonden wil worden.

Ik gaf de joints af.
Ik probeerde ook te zeggen hoeveel pijn het had gedaan. Hoe kapot die hele rit had gemaakt. Hoe ik dit niet had zien aankomen.

Maar het enige wat ik terugkreeg was dat ik toch wist dat ze in Alicante zaten.

Alsof dat het einde van elk gesprek was.
Alsof alles daarmee opgelost was.
Alsof mijn verwarring niet bestond.

Geen enkel argument telde. Niet dat plannen kunnen wijzigen. Niet dat ik het niet meer zeker wist. Niet dat Barcelona expliciet was gezegd. Niet dat ik daarom in het midden van de nacht vijfhonderd kilometer was gaan rijden.

Het was mijn schuld. Punt.

Zelfs niet als grapje bracht ze het. Gewoon dat ze door de vertraging zat was en dat daarom gestuurd had. Zo droog dat het bijna nog harder aankwam.

Bij het afgeven van de joints probeerde ik haar nog te plagen door te zeggen dat er al één cadeautje weg was: een gsm. Ze had een tijdje geleden laten blijken dat ze een andere nodig had. Ik verander toch om de twee jaar van gsm en houd het vorige vaak nog als reserve. Ik dacht nog: misschien doet het meer deugd om iemand anders daar blij mee te maken.

Maar zelfs dat liep verkeerd.
Ze nam het serieus op.

En ze had geen tijd. Ze gingen eten met mensen die ze op de luchthaven hadden leren kennen.

Dat zinnetje sneed harder dan het misschien zou moeten doen. Niet omdat er objectief iets mis mee was. Mensen leren mensen kennen. Mensen maken plannen. Dat is normaal. Maar voor mij betekende het iets anders. Dat ik blijkbaar niet iemand was die mee mocht. Niet iemand die erbij hoorde. Niet iemand voor wie plaats gemaakt werd. Niet eens op haar verjaardag.

En daar begon het opnieuw in mijn hoofd: ze had iemand leren kennen. Ze wilde mij er niet bij. Had ik maar nooit eerlijk geweest over mijn gevoelens. Had ik maar nooit die grens overschreden tussen zwijgen en zeggen. Want ik had zo hard gehoopt dat onze vriendschap ooit gewoon terug vriendschap kon zijn. Dat was het enige wat ik nog wilde. Niet meer. Geen grote dromen. Geen wederliefde. Gewoon echte vriendschap. Eenvoud. Vertrouwdheid. Rust.

Ik reed naar de dijk. Naar exact dezelfde plaats waar ik vierentwintig uur eerder ook had gezeten. Een cirkel die rond was, maar nergens uitkwam.

Ze zou wel iets laten weten wanneer ze klaar waren met eten.

De uren kropen voorbij.

Eerst dacht ik nog dat het tijdelijk was. Dat ze gewoon even bezig was. Dat haar gsm plat was. Dat ze straks wel zou antwoorden. Dat er wel een verklaring zou zijn die alles terug draaglijk zou maken. Maar hoe later het werd, hoe moeilijker het werd om mezelf dat nog wijs te maken.

19 uur.
20 uur.
21 uur.

Ik stuurde nog een paar berichten. Niet verwijtend. Niet boos. Eerder zoekend. Alsof ik met elk bericht probeerde te polsen of ik nog ergens bestond in haar avond. Of er nog ergens een klein plekje was waar ik niet volledig uitgewist was.

Maar het bleef stil.

Tegen tien uur ’s avonds was dat stilzwijgen al lang geen gewone stilte meer. Het werd iets zwaars. Iets dat druk gaf op mijn borst. Niet alleen omdat ik mij genegeerd voelde, maar ook omdat ik haar kende — of toch dacht te kennen — en omdat er intussen zoveel uren overheen waren gegaan dat mijn gedachten alle kanten begonnen uit te schieten.

Misschien is er iets gebeurd.
Misschien heeft ze haar gsm verloren.
Misschien is er ruzie geweest.
Misschien is ze ergens alleen geraakt.
Misschien is ze veel te zat.
Misschien is er echt iets mis.

Dat is misschien ook typisch aan mij: zelfs wanneer iemand mij pijn doet, ga ik eerst zoeken naar redenen waarom die persoon misschien hulp nodig heeft, in plaats van te denken dat ik gewoon word achtergelaten. Alsof mijn eerste reflex nooit zelfbescherming is, maar ongerustheid.
En op een bepaald moment werd die ongerustheid zo groot dat ik het niet meer kon wegduwen.

Toen kwam plots een bericht van haar moeder.

En alleen al dat feit was bevreemdend. Bijna onwezenlijk. Alsof ik in een verhaal was terechtgekomen waarin de rollen niet meer klopten. Ik zat daar in Spanje, kapot, bezopen, teleurgesteld, al uren zonder duidelijkheid, en ineens was het niet zij die contact opnam, maar haar moeder.
Dat bericht sloeg in als iets dubbels.
Aan de ene kant was er opluchting: eindelijk iemand die reageert. Eindelijk een teken van leven. Eindelijk iemand die iets zegt in plaats van die eindeloze leegte op mijn scherm.
Maar aan de andere kant maakte het alles nog pijnlijker.

Want wat zegt het eigenlijk wanneer jij meer uitleg probeert te krijgen via haar moeder dan via haarzelf? Wat zegt het als de vrouw die jou niet had moeten geruststellen dat wél doet, terwijl degene om wie het draait zwijgt? Het voelde verkeerd. Scheef. Alsof ik ergens beland was waar ik nooit had mogen staan.

Ik probeerde nog luchtig te blijven. Zelfs daar. Zelfs in dat gesprek. Zelfs terwijl ik inwendig al lang aan het instorten was. Ik zei dingen die half als grap bedoeld waren, half als waarheid, zoals dat ik in Alicante zat. Dat ze maar aan haar dochter moest vragen. Dat ik haar daarstraks nog gezien had. Maar onder die luchtigheid zat iets totaal anders: een bijna kinderlijke nood aan bevestiging dat er nog iets klopte. Dat ik mij dit niet allemaal inbeeldde. Dat ik niet compleet gek geworden was.

En toen, later die avond, kwam er uiteindelijk toch een bericht van haar.

Ik had gedacht dat dat iets zou oplossen. Dat het, al was het maar een beetje, rust zou brengen na al die uren wachten. Maar dat gebeurde niet.

Het voelde eerder alsof alles wat eraan voorafging ineens kleiner werd. Alsof die uren waarin ik had zitten piekeren, had zitten hopen dat er een reden was, dat er iets misgelopen was, dat het niet persoonlijk was… eigenlijk nergens meer toe deden.

Ik had mezelf proberen overtuigen dat het wel zou meevallen. Dat ze haar gsm niet gehoord had. Dat ze gewoon bezig was. Dat ik mij geen zorgen moest maken.

Maar dat bericht bracht niets van wat ik gehoopt had.

Geen rust. Geen opluchting. Geen gevoel dat de uren daarvoor ergens toe hadden geleid.

Het was vreemd hoe snel alles wat eraan voorafging ineens kleiner leek te worden. Alsof die uren waarin ik had zitten wachten, had proberen begrijpen, had gezocht naar redenen waarom ze niets liet horen… eigenlijk alleen maar in mijn hoofd hadden bestaan.

Er zat niets in dat bericht dat mij echt bereikte. Geen vraag naar waar ik was, geen teken dat ze besefte hoe lang ik al zat te wachten, geen spoor van twijfel of besef dat er misschien iets niet klopte.

Gewoon iets praktisch.

En terwijl ik daar zat, begon dat langzaam door te sijpelen. Niet als een plotse klap, maar als iets dat zich stil tussen mijn gedachten nestelde en daar bleef hangen, hoe hard ik het ook probeerde weg te duwen.

Alsof mijn plaats in dit verhaal niet was wat ik altijd gedacht had.

Alsof ik daar niet zat als iemand die ze wou zien, maar eerder als iemand die nog iets had dat voor haar van pas kwam.

Ik probeerde dat gevoel niet toe te laten. Omdat ik het niet wilde geloven. Omdat ik het al eens had meegemaakt en wist hoe dat eindigt. Omdat ik niet wilde dat zij ook zo iemand werd in mijn hoofd, in mijn verhaal.
Maar hoe langer ik bleef zitten, hoe moeilijker het werd om dat nog te ontkennen.

Ik lag op het strand, ergens tussen de mensen, met de zee voor mij en stemmen rondom mij, maar alles voelde ver weg. Alsof ik er wel was, maar nergens meer echt aanwezig. Alsof mijn lichaam daar lag en mijn hoofd ergens anders was blijven hangen.

Ik was moe. Leeg. En nog altijd bezorgd, maar op een manier die nergens meer naartoe kon.
Wat mij misschien nog het meest verwarde, was dat ik niet kwaad werd. Niet op haar, niet op de situatie.

Alleen op mezelf, een beetje.

Omdat ik voelde hoe ver ik alweer gegaan was. Hoe ik opnieuw signalen had genegeerd, hoe ik mezelf had wijsgemaakt dat het anders zat, dat het beter zat, dat het nog kon keren als ik maar bleef geloven.
En hoe ik daar nu zat, met dat ene bericht dat niets oploste, maar alleen bevestigde wat ik nog niet wilde toegeven.

Dat het niet ging om waar ik was.
Niet om of we elkaar nog zouden zien.
Niet om wat er die avond eigenlijk had moeten zijn.

Maar gewoon om een joint.

Ik lag toen op het strand. Bezopen, teleurgesteld, leeg. En boven op alles kwam dat ene gevoel waar ik mij het hardst tegen verzet: het gevoel dat iemand mij misschien gewoon gebruikt. Een gevoel dat ik niet wil geloven. Omdat ik dat al eerder heb meegemaakt. Omdat ik niet wil dat mensen die ik graag zie herleid worden tot dat soort patronen. Omdat ik liever nog aan mezelf twijfel dan dat ik moet geloven dat iemand mij alleen opzoekt wanneer het uitkomt.

Weet je wat ook zo pijnlijk was?
Die andere belofte.
Dat we samen iets zouden gaan drinken op haar verjaardag.
Die wilde ik echt nakomen. Echt. Maar voordat ik haar uiteindelijk gevonden had, was het al na middernacht. Haar verjaardag was letterlijk voorbijgereden zonder dat ik nog had kunnen waarmaken wat ik beloofd had. En dat voelde als falen. Niet omdat de realiteit mij onmogelijk had gemaakt te slagen, maar omdat ik alles wat ik beloof persoonlijk maak. Alsof mijn waarde afhangt van het feit of ik iets kan waarmaken, zelfs wanneer de omstandigheden compleet ontsporen.

Buiten die joint rookten we nog even. Daarna ging ik nog mee naar een danscafé, maar praten lukte niet. Niet echt. Niet op de manier waarop ik had gehoopt. Hoe graag ik ook even had willen zeggen: kunnen we alsjeblieft alles vergeten? Kunnen we opnieuw beginnen? Kunnen we terug naar voor alles ingewikkeld werd?

Ik gaf haar nog twee andere cadeautjes.
Eentje was een Bob-sleutelhanger die ik een week eerder van de politie had gekregen. Iets onnozels bijna. Iets waarvan ik wist dat ze het nog niet had, maar wel leuk zou vinden. Op papier compleet belachelijk. In werkelijkheid juist typisch voor hoe ik ben: ik onthoud kleine dingen, kleine wensen, kleine toevalligheden, en probeer daar iets van te maken.

Het andere was een gelaatsbehandeling. Niet omdat ze dat nodig had. Dat niet. Maar omdat het een uur ontspanning kon zijn. Omdat ze bezig is met haar huid, met voor zichzelf zorgen, met dingen die ik onthoud omdat ze voor haar belangrijk zijn.

Er kwam geen dankjewel.
Alleen: “wat moet ik daarmee?”

Dat soort zinnen klinken misschien klein voor iemand die er niet in zit. Maar als je al zo lang aan het dragen bent, wordt zo’n zin een steen. Niet omdat het objectief het ergste is dat iemand kan zeggen, maar omdat het landt op een plek die al openligt.

En opnieuw begon ik mij af te vragen wie ze nog was. Of beter: wie zij altijd geweest was en wie ik van haar had gemaakt in mijn hoofd. Doet ze nu echt alles om mij weg te stoten? Waar is die S gebleven die altijd blij was? Of heb ik het mij allemaal ingebeeld? Heb ik van kleine momenten iets groots gemaakt omdat ik dat nodig had? Heb ik warmte gezien waar misschien alleen gemak zat?

Na een tijd vroeg ze of ik nog een joint had. Geen probleem, zei ik, ik ga er 1 halen uit de auto en zie je op strand.
Ik ging er één halen in de auto. Dan konden we die op het strand roken. En misschien, misschien, in de rust van daar, zou er nog een gesprek mogelijk zijn. Iets echt. Iets eenvoudigs. Gewoon twee mensen op het strand, in de nacht, zonder lawaai, zonder anderen, zonder die constante ruis van misverstanden.

Om 1u44 kreeg ik dat ze op het strand was.
Ik was net de auto gepasseerd om die joint te halen.
Nog geen vijf minuten later stond ik daar.
Alleen.
Ik belde nog een paar keer.

Geen antwoord.

Wat er dan precies is misgelopen, weet ik nog altijd niet. Op een bepaald moment kreeg ik het verwijt dat ik was weggelopen zonder iets te zeggen. Alsof zelfs mijn pogingen om terug te keren verkeerd werden uitgelegd. Alsof ik mij in een verhaal bevond waarin ik welke richting ik ook uitging, toch altijd fout zat.

Rond twee uur vroeg ze nog waar ik ging slapen.
Ik antwoordde: op het strand waarschijnlijk.
En dat is ook gebeurd.

Tot ik ’s morgens rond half zeven wakker werd met één van de mooiste zonsopgangen die ik ooit heb gezien. Zo’n zonsopgang waarvan mensen foto’s maken, later posten, later zeggen dat ze zich toen zo levend voelden. Maar ik voelde niets. Of nee, dat klopt niet. Ik voelde wel iets.

Leegte.
Een enorme leegte op een plaats waar ooit iets heel warms had gezeten.
Een vriendschap.
Een rust.
Een thuis in een mens.

Ik ging terug naar de auto en daarna naar het appartement. Daar snel gedoucht. En toen zat ik daar.
Alleen.
Normaal is alleen zijn geen vijand van mij. Normaal kan ik daar zelfs van genieten. Alleen zijn heeft iets helders. Iets eenvoudigs. Iets dat niet vraagt dat ik mij verhoud tot iemand anders.

Maar nu niet.

Nu was alleen zijn geen rust. Nu was het een ruimte waarin al mijn gedachten tegelijk begonnen te praten. Ik moest weg. Alweer. Dus reed ik opnieuw naar Alicante. Terug naar waar alles foutgelopen was. Alsof ik de bron moest opzoeken van mijn eigen ondergang.

Om elf uur kwam ik daar toe.

Ik wandelde over de boulevard. Over het strand. Heen en terug. Doelloos. Soms alsof ik iets zocht. Soms alsof ik net probeerde niets te vinden. Het ideale moment om alles wat de voorbije vierentwintig uur gebeurd was in te spreken voor mijn boek. Om tenminste nog iets van controle te hebben over een verhaal dat in werkelijkheid volledig uit mijn handen geglipt was.

Ik weet niet hoeveel rondes ik gelopen heb. Hoeveel keer ik hetzelfde stukje boulevard heb gedaan. Hoeveel sigaretten ik gerookt heb op bankjes waar niemand wist wat er in mij omging. Ik hield mijn zonnebril op. Niet om de zon. Om de tranen. Ik wilde niet dat iemand die zag. Ik wilde geen medelijden. Ik vond niet dat ik dat verdiende. In mijn hoofd had ik alles zelf verknoeid. Sinds die ene brief. Sinds dat ene moment waarop ik eerlijk had gekozen boven veilig.

Mijn gedachten gingen steeds verder.

Ik probeer altijd goed te doen voor mensen. Ik wil mensen vertrouwen. Ik wil eerlijk zijn, zeker tegen wie ik graag zie. Ik wil geen geheimen. Ik wil er zijn. En toch lijkt het alsof net die dingen mij in deze wereld kwetsbaarder maken in plaats van sterker. Alsof je vandaag beter wat harder bent. Wat minder open. Wat minder loyaal. Wat minder echt.

Misschien pas ik niet meer in deze maatschappij, dacht ik.
Misschien is hoe ik ben niet gemaakt voor een wereld waarin iedereen zichzelf beschermt door een stuk afstand te houden.

Wat ook vreemd was: er waren de hele tijd mensen rondom mij, maar ik heb eigenlijk niemand gezien. Ik liep volledig in mezelf. Alsof de wereld nog wel bestond, maar op mute stond.

Na vijftienduizend stappen, rond half drie, besloot ik even te gaan zitten. Een cocktail drinken op precies die plek waar alles fout begonnen was. Die ene plek. Starend naar mensen die voorbijgingen. Mensen met hun eigen verhalen, hun eigen kleine pijnen, hun eigen leugens misschien, hun eigen liefde die wel of niet beantwoord werd. En ik vroeg mij af wat er allemaal in hen omging. Of alles aan mij lag. Of ik echt degene was die overal chaos van maakte.

Nog geen tien minuten later voelde ik mijn hartslag verdubbelen.

Ze wandelden voorbij.
Met zes.
Ik zwaaide.
En werd genegeerd.

Misschien zagen ze mij echt niet. Zes mensen kunnen tegelijk met iets anders bezig zijn. Dat weet ik rationeel ook wel. Maar op dat moment voelde het alsof zes mensen tegelijk besloten hadden dat ik niet bestond.

Ik stuurde nog een bericht.
“Ook goedemorgen ☺️”
Met een foto dat ze net voorbij gewandeld waren.

Geen reactie.

En weer moest ik weg. Alsof blijven onmogelijk werd zodra de realiteit zich nog eens onverschillig toonde. Dus opnieuw datzelfde traject. Parkje. Boulevard. Strand. Terug.

Later maakte ik nog een aantal valse happy selfies. Dat soort foto’s die moeten bewijzen dat het wel gaat, terwijl alles erachter het tegendeel uitschreeuwt. Tegen vijf uur was mijn gsm leeg. Ergens was dat zelfs een opluchting. Geen berichten meer checken. Geen hoop meer. Geen scherm dat telkens leeg bleef.

Ik ging terug naar het appartement. Terug naar de eenzaamheid.

’s Avonds toch maar iets gaan eten. Het was ondertussen al sinds donderdagavond geleden dat ik nog echt gegeten had. Maar na drie happen stopte ik. Het smaakte niet. Ik had geen honger. Zelfs drank smaakte nergens naar. Alles wat normaal tijdelijk verzacht, stootte mij nu tegen.

Om tien uur ’s avonds ging ik terug naar het appartement.
Eindelijk nog eens een bed.
Eindelijk misschien nog eens slapen.
Het waren maar drie dagen geweest. Maar ze voelden als een week. Alsof tijd trager wordt wanneer elk uur gevuld is met te veel gevoel.

Voor ik probeerde te slapen keek ik nog één keer op WhatsApp.
Nog steeds niets.
En toen kwam het besef dat misschien nog het pijnlijkst was van allemaal: het is voorbij. Finito. Ze is weg. Niet alleen uit Spanje, maar misschien ook uit mijn leven. En hoe graag ik ook nog steeds zou willen dat het goedkomt, sommige dingen komen misschien gewoon niet meer goed.

Ik heb al te veel mensen verloren.
Bijna al mijn beste vrienden zijn overleden.
Ik wil niemand meer verliezen terwijl ze nog leven.

Misschien is dat ook waarom ik zo hard blijf vasthouden. Waarom ik zelfs wanneer alles al lang pijn doet, nog altijd zoek naar manieren om iemand niet kwijt te raken. Alsof verlies alleen te verdragen is als het onvermijdelijk is. Niet als iemand er nog gewoon is, maar ervoor kiest om er niet meer te zijn voor jou.

Uiteindelijk viel ik toch in slaap. Werd nog een paar keer wakker in de nacht. Hoopte telkens heel even dat het allemaal een droom was geweest. Keek telkens of er al een bericht was.
Niets.

Maandag. Normaal zou ik terug naar België vliegen. Maar ik had geen zin. Hier wist ik tenminste zeker dat ik alleen was. En vreemd genoeg gaf dat nog een soort rust. Niet omdat ik gelukkig was. Maar omdat zekerheid, zelfs een eenzame zekerheid, soms minder pijnlijk is dan hoop.

Maandag en dinsdag vloeiden in elkaar over. Wandelen. Op het strand liggen. Terrasjes doen. Schrijven. Schrijven aan een hoofdstuk dat in dit boek maar een kleine passage had moeten zijn. Een kleine episode. Een voetnoot bijna. En dat nu plots een van de zwaarste stukken werd.

Meer en meer begon ik te denken dat het aan mij lag. Dat ik onbewust doe aan zelfsabotage. Dat ik steeds opnieuw naar plaatsen rijd waar ik kan stuklopen. Niet omdat ik dat wil, maar omdat ik ergens nog altijd geloof dat als je maar genoeg moeite doet, genoeg geeft, genoeg toont dat je er bent, dat iemand dan wel zal blijven.

Misschien is dat de grootste vergissing.

Misschien kan liefde, of vriendschap, of trouw, niet afgedwongen worden door kilometers, door slapeloze nachten, door cadeaus, door beloftes, door pijn die je stil probeert te dragen.

Misschien blijft er op het einde alleen dit over:

een man in Spanje,
in een appartement dat tijdelijk vrij was,
met een zee buiten,
met zon op zijn gezicht,
met mensen rondom hem,
en met een leegte die groter was dan het land waar hij doorheen gereisd had.

En ergens tussen Alicante en Barcelona, tussen luchthaven en boulevard, tussen zonsopgang en strand, tussen een joint en een gemiste belofte, besefte ik iets wat ik nog niet onder woorden kon brengen:

dat je soms niet enkel een persoon verliest,
maar ook de versie van jezelf die alleen bij die persoon bestond.

En misschien is er niets dat beter samenvat hoe onaf dit alles gebleven is dan die gsm.

Die ligt hier nog steeds.

Ingepakt.

Nog altijd zoals ik hem had voorzien. Niet zomaar als een toestel, niet zomaar als een praktisch ding, maar als iets dat bedoeld was om te geven. Iets waar een gedachte achter zat. Iets wat symbool stond voor zorg, voor moeite doen, voor onthouden wat iemand ooit eens had gezegd. Ze had dat een tijd geleden eens gevraagd. Niet dwingend, niet zwaar, gewoon ergens terloops. Maar ik onthoud zulke dingen. Misschien té goed. Misschien is dat ook mijn probleem: dat ik kleine zinnen van mensen niet gewoon hoor, maar bewaar.

Dus die gsm bleef niet gewoon een gsm.

Hij werd een voornemen. Een cadeautje. Een gebaar. Iets dat ik wou afgeven op het juiste moment. Iets waar nog warmte in zat, nog vóór alles zo kil werd.

En nu ligt hij hier nog altijd.

Dat is misschien nog pijnlijker dan wanneer ik hem effectief had afgegeven en ze hem achteloos had aangenomen. Want zolang hij hier ligt, blijft hij deel van iets dat nooit is afgerond. Alsof dat voorwerp zelf nog vasthangt aan een versie van de toekomst die nooit is uitgekomen.

Soms kijk ik ernaar en denk ik: ik moet hem gewoon wegdoen. Verkopen. Aan iemand anders geven. Er een einde aan maken. Er is geen reden meer om hem te bewaren.

Maar zo eenvoudig is het niet.

Want het gaat allang niet meer over dat toestel.

Het gaat over alles wat erin vastzit.

De gedachte waarmee ik hem had klaargelegd.
De zachtheid waarmee ik dat wou geven.
De hoop dat er nog iets goeds mogelijk was.
Het idee dat ik haar nog iets kon geven dat echt uit zorg kwam, niet uit verplichting, niet om indruk te maken, maar gewoon omdat ik blij zou zijn als zij er blij mee was.

En misschien is dat net waarom ik niet weet wat ik ermee moet doen.

Als ik hem weggeef, voelt het alsof ik toegeef dat het echt voorbij is. Alsof ik niet alleen haar verlies moet aanvaarden, maar ook moet erkennen dat zelfs de kleine, eenvoudige dingen die ik voor haar in gedachten had nergens meer terechtkunnen.

Maar als ik hem hou, blijft hij daar liggen als een stille herinnering aan alles wat onaf is. Aan alles wat niet gezegd werd. Aan alles wat niet meer ontvangen kan worden. Een ingepakt voorwerp dat elke keer opnieuw zegt: dit had ooit voor haar moeten zijn.

Ik weet niet wat pijnlijker is.

Hem bijhouden, en telkens opnieuw geconfronteerd worden met het feit dat ik hem nooit heb kunnen geven.

Of hem wegdoen, en daarmee misschien definitief loslaten wat ik nog altijd niet volledig kan begraven.

Dus ligt hij hier nog.

Zoals zoveel van dit verhaal hier nog ligt.

Niet opgelost.
Niet uitgepraat.
Niet vergeten.

Gewoon aanwezig.

Zoals een laatste cadeautje dat nooit openging.
Zoals een gebaar dat nergens meer naartoe kon.
Zoals liefde, of vriendschap, of wat er nog van overbleef, in zijn meest tastbare vorm: iets dat bedoeld was voor iemand, maar dat nu alleen nog bewijst dat die iemand er niet meer echt is.