Het is nu tien dagen stil.
Tien dagen zonder haar stem, zonder een bericht, zonder zelfs maar een klein teken dat ze nog ergens bestaat in mijn wereld.
Tien dagen waarin alles tegelijk is blijven stilstaan en toch onverbiddelijk is doorgegaan.
Afgelopen weekend heb ik misschien wel het moeilijkste gedaan tot nu toe:
ik heb haar nummer verwijderd.
Niet omdat ik haar niet meer wil horen.
Integendeel.
Maar omdat ik mezelf ken.
Omdat ik weet wat er gebeurt wanneer de stilte te luid wordt, wanneer de alcohol de scherpe randjes van mijn verstand afhaalt en mijn gevoel het overneemt.
Ik wilde voorkomen dat ik dingen zou sturen die ik niet meer kan terugnemen.
Ik weet ook wel dat haar nummer nergens echt weg is.
Dat ik het, als ik echt wil, zonder moeite terug kan vinden.
Maar ergens hoop ik dat het net ver genoeg verstopt zit.
Ver genoeg om mij tegen mezelf te beschermen op de momenten dat ik het zwakst ben.
Het weekend na het gesprek met haar broer was zwaar.
Zwaarder dan ik had verwacht.
Wat overbleef waren vragen.
Altijd dezelfde vragen.
Waar ben ik fout gegaan?
Wat heb ik verkeerd gedaan?
Wat had ik anders moeten doen?
Het waren geen verwijten naar haar.
Alleen naar mezelf.
Zelfs iets simpel als zaterdagavond weggaan voelde onmogelijk.
Ik had er de kracht niet voor.
Het enige wat ik wou, was dat alles terug goed was.
Dat ik daar was, bij haar, op haar verjaardagsfeestje.
Dat het allemaal nog gewoon was.
Maar in plaats daarvan zat ik thuis.
In de zetel.
In een ruimte die plots veel te groot aanvoelde.
En voor mij… niets.
Alleen leegte.
Zondag kreeg ik nog berichten van haar broer.
Hij maakt zich zorgen.
Hij wil helpen.
Hij stelde voor om samen te gaan wandelen.
Met hem. En met zijn hond.
Haar hond.
De hond die bij haar woont.
De hond die hij af en toe gaat uitlaten.
Zelfs dat kon ik niet.
Zelfs dat was te dichtbij.
Teveel herinneringen in iets dat voor iemand anders zo simpel lijkt.
Ik was moe.
Niet fysiek, maar leeg op een manier die moeilijk uit te leggen is.
In de namiddag ben ik even in slaap gevallen.
En daar was ze.
Voor het eerst sinds alles.
Ik zag haar terug.
Er was nog spanning in het begin, een soort onzekerheid die in de lucht hing…
maar na dat eerste “hallo” viel alles weg.
Alsof er nooit iets gebeurd was.
Alsof alles weer normaal was.
Het voelde echt.
Te echt.
Toen ik wakker werd, na misschien een uur, was ik… gelukkig.
Heel even.
Tot dat besef kwam.
Dat harde, koude besef.
Het was maar een droom.
Een wensdroom misschien.
Of gewoon… hoop.
Ik heb mezelf ondertussen één regel opgelegd:
tot 18 april neem ik geen contact op.
Nog drie weken.
Waarom 18 april?
Mijn verjaardag.
De dag waarop ik hoop op één bericht.
Niet meer dan dat.
Gewoon: “gelukkige verjaardag”.
Geen gesprek.
Geen uitleg.
Geen verleden.
Alleen dat ene teken.
Dat ik niet vergeten ben.
Dat idee…
dat kleine beetje hoop…
dat is wat mij nu rechthoudt.
Wat ik zelf nog het vreemdste vind van alles…
Wij hadden niets.
Geen relatie.
Geen officiële naam voor wat het was.
Alleen vriendschap.
En toch heb ik mij nog nooit zo gevoeld.
Niet eens na relaties die voorbijgingen.
Vriendschap…
is zoveel belangrijker dan mensen denken.
Maar niemand rondom mij lijkt dat te begrijpen.
En ergens denk ik dat zij het ook niet begrijpt.
Dat ik niet méér wil.
Dat ik gewoon terug wil naar wat er was.
Niets extra.
Alleen dat.
In mijn hoofd is er maar één manier waarop dit ooit nog goed kan komen:
afstand.
Alles vermijden waar ik haar zou kunnen tegenkomen.
Elke plaats, elke kans.
Omdat ik weet hoe ik werk.
Hoe langer ik iemand niet zie,
hoe meer de scherpe kanten verdwijnen…
en hoe zachter de herinneringen worden.
Alleen weet ik niet hoe zij denkt.
Wat zij voelt.
Wat zij heeft gezien dat ik niet zie.
Misschien heb ik iets kapot gemaakt zonder het te beseffen.
Misschien ook niet.
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet…
is dat ik blijf hopen.
Hopen op een goede afloop.
Hopen op dat ene bericht.
Vrienden proberen mij te helpen.
Ze zeggen dingen zoals:
“ze is je niet waard”
of
“ze heeft geprofiteerd van jou”.
Maar dat helpt niet.
Integendeel.
Het voelt fout.
Alsof ze haar proberen te herleiden tot iemand die ze niet is.
Want dat is ze niet.
Dat wil ik niet geloven.
Meer dan zeven jaar.
Zeven jaar samen lachen.
Zeven jaar dezelfde energie, dezelfde kinderachtigheid, dezelfde klik.
Dat wis je niet uit door één situatie.
Dat kan je niet zomaar “niets” noemen.
Elke dag open ik mijn brievenbus.
Altijd met een kleine angst.
Een gedachte die zich vastzet voor ik het deurtje open:
wat als mijn sleutel erin ligt?
Wat als ze hem heeft teruggebracht?
Want als dat gebeurt…
dan is het duidelijk.
Dan is er geen weg meer terug.
En ergens voelt het alsof er dan ook niets meer overblijft van mij in dit verhaal.
Misschien…
zou het dan makkelijker zijn om gewoon te verdwijnen.
Maar zover is het nog niet.
Nog niet.
Het aftellen is begonnen.
Nog negentien dagen.
Negentien dagen hoop.